Hoe kan wetenschappelijke kennis de kwaliteit van je lessen verbeteren?

Er is niets zo praktisch als een goede theorie. Maar in de wereld van onderwijs is er nog wel sprake van een groot gat tussen wetenschap en praktijk van alledag. Maar gelukkig zijn er ook veel positieve voorbeelden! In deze podcast ga ik in gesprek met Gert Verbrugghen. Docent Engels op het Alfrink college in Deurne. Gert gebruikt heel bewust wetenschappelijke kennis om zijn lessen in te richten. Je zou dit ‘evidence informed werken‘ kunnen noemen. Zo werkt hij met een uitgekiend beloningssysteem om positief gedrag en inzet te waarderen. Iets dat de leerlingen erg waarderen. Maar er zijn meer interessante keuzes die Gert maakt. Bijvoorbeeld de nadruk op leerwerk in plaats van maakwerk. Hij ziet veel voordelen om de leerlingen uit te dagen om kennis te memoriseren (denk aan een gedicht). Om vervolgens de Engelse grammatica regels toe te lichten. Wat zijn aanpak ook bijzonder maakt is de synergie op schoolniveau tussen expliciete hoge verwachtingen (leerprestaties) en ruimte voor iedere leerling om in zijn eigen tempo te werken. Ook met toetsing maakt het schoolteam onderbouwde keuzes. Er zijn drie formele toetsmomenten met cijfer, bij extra toetsing worden er geen cijfers gegeven. Deze meetmomenten zijn primair bedoeld om te leren van fouten. Elke leerling (en de klas als geheel) krijgt gerichte feedback. Gert is ook sterk voorstander van structuur, regelmaat en orde in de klas. Zo oefent hij met alle leerlingen in het begin van het jaar hoe de klas binnen te komen en wanneer het tijd is om de tas in te pakken (dus niet 10 minuten voor tijd). Allemaal bedoeld om de lestijd zo optimaal mogelijk te benutten. Luister nu naar een bijzonder inspirerend en praktisch gesprek over de brug slaan tussen wetenschap en praktijk!

Twiddla

Er zijn van die online tools die ontzettend handig kunnen zijn. In mijn leven als trainer ben ik altijd op zoek geweest naar digitale tools die werkvormen aantrekkelijker maken voor deelnemers en uiteraard de trainer 🙂

Uiteraard, de gele plakbriefjes en plakflaps horen tot mijn standaard uitrusting en liggen altijd klaar in de auto. Maar sexy? Niet echt.

Het wordt vaak extra leuk als je een werkvorm digitaal kan laten uitvoeren. Er zijn zoveel mogelijkheden. En dat maakt het leuk: je kan variëren, verrassen, vernieuwen.

En als je mij kent, dan weet je dat ik van praktisch, eenvoudig en snel houd. Het moet een goede ruil zijn, voor mij als trainer en vooral voor deelnemers.

Een tool die ik weer eens tegenkwam, omdat ik er 2 pagina’s aan gewijd had in het Boek Twee Punt Nul is Twiddla.

Twiddla kwam op in de tijd van de digiborden. Elk merk Digibord had z’n eigen software. Dat maakte het qua uitwisseling en manier van werken ingewikkeld voor gebruikers. Tegenwoordig zou ik iedereen aanraden om Prowise Presenter te gebruiken. Het is gratis en werkt magnifiek.

Twiddla is een whitebord met basis functionaliteiten. Je kan de link kopiëren en verspreiden via bijv. Whatsapp of er een QR-code van maken die de deelnemers kunnen scannen. QR-codes zijn trouwens een must bij trainingen. Daar zal ik binnenkort wel wat tips voor geven.

In Twiddla kan je van alles doen, samen met de deelnemers. Je kan tekenen, schrijven, kleuren, foto’s toevoegen, formules, standaard afbeeldingen. Zie het als een schetsblok. Ideaal voor kleine opdrachten in groepjes, of centraal mensen iets laten noteren of verzamelen wat te zien is op het grote scherm van de trainer.

Het enige nadeel is dat de app tegenwoordig maar 20 minuten te gebruiken is, zodra de tool gebruikt wordt. Maar voor korte opdrachten is dat helemaal geen belemmering. Even input halen, even een energizer, daarvoor is het zeer geschikt!

Oh, en nog een tip: Het Boek Twee Punt Nul is als gratis app te downloaden. En daarin staan heel veel tools met praktische tips, echt een aanrader!

Klik om naar de downloadpagina te gaan.

En wil je eens zoeken naar meer praktische tools? Check de slide share hieronder.

Innovatie – exponentiële groei

In mijn OICT opleiding kwam altijd het onderdeel ‘technologische ontwikkelingen’ aan bod. Ik vond (vind) het belangrijk dat mensen bewust worden van wat er is, maar ook wat men kan verwachten en of iets blijft of een hype is. Ik zal de onderwerpen kort beschrijven, later zal ik er in andere blogs wel dieper op in gaan, want het is reuze interessant.

De wet van Moore kwam sowieso aan bod. De wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. Moore deed deze voorspelling in 1965. Al lijkt de wet tegenwoordig niet meer te werken omdat de technologische mogelijkheden zo zijn doorontwikkeld dat men de snelheid van ontwikkelen niet meer kan halen. Maar de rode draad is: de ontwikkelingen gaan harder dan wij kunnen bedenken.

Dat is gelijk gekoppeld aan de exponentiële groei. Wij mensen denken lineair en vinden het heel ingewikkeld om exponentieel te denken. Een mooi voorbeeld is de vraag: “hoe vaak moet je een papier vouwen tot je naar de maan bent?” Ik heb die vraag altijd gesteld en ik kreeg de mooiste antwoorden. Al moest ik er wel steeds weer bij zeggen dat ze niet moesten blijven hangen dat 7x de max is. Dit is trouwens een leuke video daarover:

https://www.zozitdat.nl/2018/04/04/hoe-vaak-kun-je-papier-dubbelvouwen-2/

De deelnemers kwamen er eigenlijk niet uit. Dit filmpje verhelderde het:

Dus de wet van Moore en exponentiële groei.

En het is niet zo dat iets ontwikkeld wordt en dat het klaar is. Ik zie mezelf nog rondlopen met een buzzer, in de tijd voor de mobiele telefoon. Ik had op een gegeven moment een GPS locator bij mijn spiegelreflex camera, zodat ik terug kon halen waar ik foto’s gemaakt had. Mijn Garmin GPS was onmisbaar om mijn routes op te nemen tijdens bergwandelingen, zodat ik de afstand, de route, de hoogte en vooral: de weg terug kon vinden.

Een paar kleine voorbeelden van ontwikkelde producten die samengevoegd zijn in nieuwe producten. Dus doorontwikkeld. Kijk naar de ontwikkeling van VR en AR. AR wordt de toekomst. Dat is zeker. Maar in welke vorm? Ik gebruikte lange tijd het filmpje van VENZ hagelslag uit 2010. Het bedrijf had een code op de hagelslag geplaatst. De voorloper van de QR code. Als je die scande met je laptop kwam je in een virtueel racespel! 10 jaar later en je waant je in de meest fantastische werelden. Games, musea, storytelling, educatief materiaal: pak je iPad of iPhone en je wordt erin gezogen. Het is zo doorontwikkeld dat je zelf werelden kan creëren. In januari maakte ik in Adobe een hoofdpersoon uit een methode digitaal voor een vriendin. Ze had het laten ontwikkelen. Ik stuurde haar een filmpje waarin ik het meisje virtueel op mijn keukentafel liet staan. Dat was echt gaaf om te zien, maar lastig te maken. En nu? Ga naar Fectar en binnen 5 minuten heb je het gerealiseerd.

Dus qua content ontwikkeling gaan de ontwikkelingen razendsnel, alleen zit je nog steeds met het apparaat in je handen. Hoe kijken wij over 20 jaar terug op deze periode? Apple Glasses komt eraan. Wie weet hebben wij over 20 jaar wel speciale lenzen waar AR in zit. En creëren we, in a blink of an Eye, onze eigen ideale wereld. Het zou mij niets verbazen. De komst van bijvoorbeeld 5G bieden ontwikkelingen alweer zoveel ruimte.

Als laatste kwam de theorie van Gartner aan bod: De hype cycle. Om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen, hoeveel tijd iets kost, het dal van desillusie.

Dat was vaak heel herkenbaar voor deelnemers. Neem de iPad. Hoge verwachtingen in een korte tijd. De iPad was snel bovenin de hype cycle. Maar daarna begon het tegen te vallen: er was beperkte content, inzetbaarheid, beheer was lastig, de prijzen waren hoog, het was lastig te organiseren in het huidige onderwijs. Dus de verwachtingen gingen naar beneden. Nu met de nieuwe ontwikkelingen door uitgeverijen, maar ook door bijvoorbeeld de komst van AR zal een iPad ingebed worden in het onderwijs. Als vast leermiddel (of beter: drager).

De hype cycle liet ook mooi zien hoe ontwikkelde producten samengevoegd werden in nieuwe producten doordat er nieuwe technologie ontwikkeld was.

Mijn boodschap was en is: denk in mogelijkheden – wat zou de volgende stap kunnen zijn?

Wat leuke voorbeelden trouwens die doorontwikkeld zijn en nu helemaal de normaalste zaak van de wereld zijn:

1988: De eerste zelfscan kassa en pick-up point worden gelanceerd in Tilburg

De beeldtelefoon – de mogelijkheden rond thuiswerken in 1986

En mobiel bellen: 1999 vs 2019

“Wat zou het mooi zijn als…. ” vul dat voor jezelf in, schrijf het op, bewaar het en open het over 5 jaar. Je eigen tijdscapsule. Wat is er van uitgekomen? 🙂

Vraagvaardigheden op school

Ik lees het boek “Socrates op sneakers”. Ik wil vragen leren stellen. Ik wil de vraag achter de vraag stellen. Want in de opleidingen die ik gaf rond verandermanagement was dat altijd een vast onderdeel: “vraag!” Alleen door te vragen krijg je vragen, problemen, situaties… alles helder. Het ergste is: ik kan er zelf geen bal van. Dus ik leer iemand iets wat ik zelf niet kan.

Helpt een boek? Geen idee – maar ik werd afgelopen half jaar steeds aangespoord om vragen te stellen, en ik merkte dat ik niet tot die verdieping kwam: het bleven oppervlakkige vragen waar ik de antwoorden verder zelf weer invulde.

En het gekke is: ik hamer erop, ik ben erop gebrand dat we kinderen vragen leren stellen, laten stellen, blijven laten stellen. Kinderen moeten zich verwonderen, die onderzoekende houding houden, verbazen, niet alles klakkeloos aannemen omdat vader, moeder of de juf het zegt.

Tijd voor actie. En toen kwam dit boek langs. Echt – dit zou verplichte kost moeten zijn. Sowieso voor de PABO’s, een verplicht curriculum. Sterker nog: het is zo toegankelijk, zet het op de leeslijst van het VO.

Anyway. De schrijfster begint met een 6tal redenen waarom wij geen (goede) vragen stellen. Allemaal heel herkenbaar, vooral de laatste: “We krijgen geen les in vraagvaardigheden op school”.

En dat klopt. Op heel veel scholen. Sommige scholen proberen het, door in creatieve projecten kinderen zelf aan de slag te laten gaan. Maar leerkrachten vinden het lastig, ingewikkeld: Als ze oprecht een onderzoek- of vraaggesprek willen voeren in de klas moeten ze hun rol loslaten. Leerkrachten zijn opgeleid om kennisvragen te stellen, en niet om het kritisch denkvermogen van kinderen te stimuleren.

Verder wordt er als reden aangedragen dat men er door werkdruk, de druk van de inspectie en de druk van ouders niet aan toe komt. Want de focus ligt op het ‘scoren’, de cognitieve ontwikkeling. Het is voor ouders vaak belangrijk dat ‘hun’ kind in groep 1 al woordjes kan lezen of kan rekenen, en het kind wat zich creatief kan uiten of kan dansen wordt niet ‘gezien’.

Leerkrachten hebben de neiging om te sturen en te controleren wat de uitkomst is. Ze hebben vaak grote moeite met loslaten en de autonomie van de kinderen. En de kinderen zijn op een gegeven moment niet anders meer gewend en vragen:”Wat is het goede antwoord dan juf?”

Als wij zelf alles klakkeloos aan- of overnemen, de wijsheid in pacht hebben – hoe kunnen wij dan kinderen leren vragen te stellen? Of een uurtje per week het vak filosofie zou helpen? Nee, ik denk het niet. Het zou een mooi begin zijn, maar vragen stellen, die onderzoekende houding vergt een bepaalde houding, een mentaliteit. Het is geen truukje.

Neem alle ontwikkelingen rond de 21st Century Skills – het zijn allemaal hypes waar we in het onderwijs achteraan hobbelen. En dan wordt het weer stapelen, in plaats van puzzelen. Over werkdruk gesproken, ook dat nog. Digitale geletterdheid, laten we een expert opleiden. Waarom? We moeten kinderen leren programmeren, laten we robots kopen! Hoezo? Ah, samenwerken doende al, dat kunnen we afstrepen. Want? Als wij als volwassenen nu eerst eens aan onszelf gaan werken. Onszelf gaan afvragen waarom we de dingen doen die we doen en wat we daarmee denken te bereiken.. Wees kritisch, neem niet zomaar iets aan. Vraag. Onderzoek. Wees nieuwsgierig.

Dat bracht mij weer terug bij de discussie over ‘burgerschap’. Laat daar kinderen maar eens serieus over nadenken zonder te sturen. Ooit gedaan?

Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Sterker nog: ik denk dat elke volwassene dat nog ergens wel heeft. Ik ook, ik ben rete nieuwsgierig. Maar door niet te (durven) vragen kom ik vaak niet verder.

Begin zelf laagdrempelig. Pak de sites die ik laatst al plaatste en verwonder je, verplaats je in het kind.

BNN/Vara heeft een interessante site van Vroege Vogels,met veel weetjes

De site Knack.be heeft een maand lang kindervragen beantwoord onder de noemer “Mysterie van de dag”

Dit is een mooie om in gesprek te gaan met kinderen en zelf te leren vragen:

https://www.kidsproof.nl/zuid-limburg/blog/beantwoord-deze-leuke-vragen-samen-kletspraat-kletspot-kinderen-kindervragen

Of de site van Famme.nl

Een gierzwaluw is geen zwaluw – over aannames

Enkele weken geleden keek ik gebiologeerd naar de zwaluwen boven mij. Het is toch gaaf om te bedenken dat deze vlugge vogels de lunch uit de lucht vissen. Zo wendbaar, zo snel.

Ik lees ook af wat voor weer het wordt. Nou ja, ik doe wel stoer, maar het klopt wel. Als ze laag vliegen wordt het koud en nat, als ze hoog vliegen, zijn de insecten hoger (oa door thermiek) en dus warmer weer. Check maar

Dit is trouwens een hele leuke site! Elke dag behandelen ze een vraag van kinderen. Echt een aanrader om eens voor te gaan zitten!

Klik voor “Het mysterie van de dag”

Terug naar de zwaluw. Tijdens het kijken vertelde iemand mij dat de zwaluw niet op de grond mag komen. Want als dat gebeurt kan hij niet meer wegvliegen: zijn pootjes zijn te kort. Je moet een zwaluw dan oppakken en omhoog gooien. Het leek mij heel aannemelijk: de zwaluw heeft een bijzondere vorm qua vleugels, de bouw is niet te vergelijken met die van bijvoorbeeld een mus of merel en de pootjes, ik weet het nog wel van de zwaluwnesten, die zijn inderdaad opvallend kort. Dus met mijn vermeende ‘vogelkennis’ checkte ik de feiten en geloofde het.

Tot.. vanochtend. Ik zat op de fiets door het vlakke land te crossen. En wat schetste mijn verbazing? Er zaten wel 20 zwaluwen op de weg voor mij. Het was een rotsachtig pad en de zwaluwen stoven voor mij weg. Huh?

Dat liet mij niet los, dus ik heb het net uitgeplozen.

Het verhaal klopt.. deels.. Alleen gaat het om een bepaalde zwaluw: de Gierzwaluw. Als er een gierzwaluw is, zijn er meer soorten zwaluwen was mijn conclusie.

En ja hoor, check wikipedia. En nu wordt het nog interessanter. De gierzwaluw hoort niet eens tot de orde van de zwaluwen. Het is een ‘nep zwaluw’. Of zoals Wikipedia het omschrijft:

Gierzwaluwen (familie Apodidae, orde Apodiformes) behoren niet tot deze familie en zelfs niet tot dezelfde orde. Zwaluwen en gierzwaluwen zijn een voorbeeld van convergente evolutie; beide groepen vogels hebben zich via verschillende evolutionaire ontwikkelingen aangepast aan het leven in de lucht en het vangen van vliegende insecten. Zwaluwen zitten vaak op gespannen draden, gierzwaluwen doen dit nooit.

#bam Nu heb je iets interessants te vertellen als zwaluwen ziet vliegen!

Wat mij opviel: ik ben er zelf in getrapt, in de aanname. Waar ik overal en altijd verkondig: neem niet altijd alles voor waar aan, check het door te vragen of te onderzoeken deed ik het zelf niet. Omdat ik logisch dacht te denken.

Hoeveel aannames doet iemand per dag eigenlijk? Dat is een interessante. Want ik weet het wel: je kan niet alles onderzoeken. Wel ondervangen door door te vragen, maar in de snelheid waarin wij tegenwoordig leven schiet dat er vaak bij in.

In mijn werk beantwoord ik ook wel eens vragen waar ik twijfels over heb… deelnemers nemen het aan, omdat ik ervoor geleerd heb. Ik ben de ‘autoriteit’. Achteraf blijkt het wel te kloppen, maar toch.. hoe vaak gebeurt dat wel niet?

Interessant om eens uit te pluizen.

Door mijn zoektocht heb ik wel een paar hele leuke sites gevonden:

BNN/Vara heeft een interessante site van Vroege Vogels, met veel weetjes

De site Knack.be heeft een maand lang kindervragen beantwoord onder de noemer “Mysterie van de dag”

Groep 8 – en dan..

De school van mijn kinderen gaat aan de slag met unit onderwijs. Ik denk dat het een goede zet is. Al moet het meer zijn dan een ‘organisatorisch’ truukje. Laat het leerstofjaarklassensysteem alsjeblieft los. Dat systeem is echt zo failliet.

Steeds meer scholen gaan aan de slag met unit onderwijs – met invloeden van Peter Petersen, Montessori en Parkhurst. Althans, ik mag hopen dat ze daar bewust mee bezig gaan. Het is weer een hype – maar dit keer vind ik het een goede ontwikkeling.

Het ‘grappige’ is: toen ik nog voor de klas stond, werd het Jenaplan onderwijs gezien als stelletje ‘alternatievelingen’ – en nu wint het dus aan populariteit.

Ik ben er al lang voorstander van om af te stappen van de vooraf vastgelegde hoofdstukken in de ontwikkeling van het kind: 0-4, 4-6, 6-12. 12-16 : elke fase waar een kind ‘opgeleverd’ wordt. Dus laat dat 0 – 12 jaar los. Pak het breder, van 0 – (of 2,5 zoals in België) tot 16 of zelfs 18. Er zijn al scholen in Nederland die hiermee werken, al blijft die verzuiling nog wel overeind.

Cognitieve ontwikkeling

Dat de kinderen moeten leren staat buiten kijf. Er moet een basiskennis zijn. Alleen de manier waarop die kennis verworven kan worden is een eerste interessante en noodzakelijke verandering in het onderwijs: In plaats van frontaal klassikaal naar het meer onderzoekend en ontdekkend leren. Waar in 2007 miljoenen geïnvesteerd zijn om dit enigszins van de grond te krijgen merk je dat het onderzoekend leren, de nieuwsgierige houding van het kind, meer en meer omarmd wordt. Laat de 21st Century Skills tot haar recht komen. Dat betekent ook heel wat voor de klassiek geschoolde leerkracht. Want dan gaat het juist om meer inhoudelijke kennis rond de ontwikkeling van het kind, de inhoudelijke kennis rond de leerstof (kerndoelen/leerlijnen) en de didactische vaardigheden. Met een cursus 21st Century Skills kom je er niet. Dat is weggegooid geld.

Groepen

Een handig truukje. (ja, echt, soms mag het): noem je groep ‘de hamsters’ , ‘ de vikingen’ – wees creatief maar laat groep 3 of groep 6 los. En ook dit is niet nieuw, want kijk naar een gemiddelde Jenaplan, montessori of vrije school en je hebt geen idee in welk leerjaar een kind zit. Een leerjaar impliceert ‘ouder’ maar ook ‘slimmer’ – cognitief meer ontwikkeld. En dat is je reinste flauwekul.

Als je het onderwijs zo kan organiseren dat je werkt met stamgroepen (Peter Petersen) en centrale instructiemomenten op niveau, dan kan je alsnog deze homogene instructiegroepen verder laten samenwerken met groepsgenoten: niet voor niets hebben we in het onderwijs een concentrische opbouw van onze leerlijnen. Wat mij betreft zou je dan het keuzeprincipe uit de kleutergroepen om kunnen bouwen: met wie je wat wanneer doet. Plan het in, stuur erop. Zoals het digikeuzebord ook al doet. Plannen om samen te werken aan projecten. Niet alleen tijdens de zaakvakken, maar ook met de basisvakken. En gebruik dan het sociogram om te kijken waar de voorkeuren liggen en om te sturen. Dus je richt je ook op de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Leerstofaanbod

Laat de methodes los. Wat? Ja. Echt, het kan. Als je de vaardigheden en inzichten hebt. En dat doe je niet in 1 keer. Dat kost tijd. Dus werk aan de winkel bij de PABO’s. Maar ook op scholen. Niet voor niets zijn er taal- en rekencoördinatoren. Zet ze in hun kracht. Als je weet hoe een kerndoel uiteengerafeld is kan je daar alle aanbod zelf bij bedenken en zoeken. Vanuit een methode, educatieve software, de omgeving, (ontwikkelings)materialen – verzin het. Ik zeg: oriënteer je eens op Reggio Emilia. Niet om het te kopiëren, maar om er over na te denken. Je komt misschien snel op thematisch werken. Prima, en laat kinderen zelf thema’s bedenken. Jij kent de doelen.

2-18 jaar

Volg kinderen, stuur bij, help ze, daag ze uit. Stap af van groepen, zet niet alleen in op niveaus maar speel, zoals je in de huidige kleutergroepen ook doet. Laat kinderen rouleren, ontdekken, ervaren. Met elkaar en van elkaar. Dan vallen de hoofdstukken weg. Dan is een CITO toets geen eindtoets, maar kan formatief ingezet worden. Hoe mooi is dat!

Zet kinderen meer aan het roer wat zal willen leren en begeleid ze. Als ze dan inzien waar de interesse ligt, stimuleer ze, en daag ze ook uit om verder te kijken. Een mening te vormen, inzicht te krijgen. Laat ze filosoferen, laat ze nadenken. Wij werken al lang niet meer 40 jaar bij 1 ‘baas’ – verwacht dat zeker niet van de komende generaties. Leer ze leren en nieuwsgierig blijven. Daag ze uit! Daag jezelf uit!