Groep 8 – en dan..

De school van mijn kinderen gaat aan de slag met unit onderwijs. Ik denk dat het een goede zet is. Al moet het meer zijn dan een ‘organisatorisch’ truukje. Laat het leerstofjaarklassensysteem alsjeblieft los. Dat systeem is echt zo failliet.

Steeds meer scholen gaan aan de slag met unit onderwijs – met invloeden van Peter Petersen, Montessori en Parkhurst. Althans, ik mag hopen dat ze daar bewust mee bezig gaan. Het is weer een hype – maar dit keer vind ik het een goede ontwikkeling.

Het ‘grappige’ is: toen ik nog voor de klas stond, werd het Jenaplan onderwijs gezien als stelletje ‘alternatievelingen’ – en nu wint het dus aan populariteit.

Ik ben er al lang voorstander van om af te stappen van de vooraf vastgelegde hoofdstukken in de ontwikkeling van het kind: 0-4, 4-6, 6-12. 12-16 : elke fase waar een kind ‘opgeleverd’ wordt. Dus laat dat 0 – 12 jaar los. Pak het breder, van 0 – (of 2,5 zoals in België) tot 16 of zelfs 18. Er zijn al scholen in Nederland die hiermee werken, al blijft die verzuiling nog wel overeind.

Cognitieve ontwikkeling

Dat de kinderen moeten leren staat buiten kijf. Er moet een basiskennis zijn. Alleen de manier waarop die kennis verworven kan worden is een eerste interessante en noodzakelijke verandering in het onderwijs: In plaats van frontaal klassikaal naar het meer onderzoekend en ontdekkend leren. Waar in 2007 miljoenen geïnvesteerd zijn om dit enigszins van de grond te krijgen merk je dat het onderzoekend leren, de nieuwsgierige houding van het kind, meer en meer omarmd wordt. Laat de 21st Century Skills tot haar recht komen. Dat betekent ook heel wat voor de klassiek geschoolde leerkracht. Want dan gaat het juist om meer inhoudelijke kennis rond de ontwikkeling van het kind, de inhoudelijke kennis rond de leerstof (kerndoelen/leerlijnen) en de didactische vaardigheden. Met een cursus 21st Century Skills kom je er niet. Dat is weggegooid geld.

Groepen

Een handig truukje. (ja, echt, soms mag het): noem je groep ‘de hamsters’ , ‘ de vikingen’ – wees creatief maar laat groep 3 of groep 6 los. En ook dit is niet nieuw, want kijk naar een gemiddelde Jenaplan, montessori of vrije school en je hebt geen idee in welk leerjaar een kind zit. Een leerjaar impliceert ‘ouder’ maar ook ‘slimmer’ – cognitief meer ontwikkeld. En dat is je reinste flauwekul.

Als je het onderwijs zo kan organiseren dat je werkt met stamgroepen (Peter Petersen) en centrale instructiemomenten op niveau, dan kan je alsnog deze homogene instructiegroepen verder laten samenwerken met groepsgenoten: niet voor niets hebben we in het onderwijs een concentrische opbouw van onze leerlijnen. Wat mij betreft zou je dan het keuzeprincipe uit de kleutergroepen om kunnen bouwen: met wie je wat wanneer doet. Plan het in, stuur erop. Zoals het digikeuzebord ook al doet. Plannen om samen te werken aan projecten. Niet alleen tijdens de zaakvakken, maar ook met de basisvakken. En gebruik dan het sociogram om te kijken waar de voorkeuren liggen en om te sturen. Dus je richt je ook op de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Leerstofaanbod

Laat de methodes los. Wat? Ja. Echt, het kan. Als je de vaardigheden en inzichten hebt. En dat doe je niet in 1 keer. Dat kost tijd. Dus werk aan de winkel bij de PABO’s. Maar ook op scholen. Niet voor niets zijn er taal- en rekencoördinatoren. Zet ze in hun kracht. Als je weet hoe een kerndoel uiteengerafeld is kan je daar alle aanbod zelf bij bedenken en zoeken. Vanuit een methode, educatieve software, de omgeving, (ontwikkelings)materialen – verzin het. Ik zeg: oriënteer je eens op Reggio Emilia. Niet om het te kopiëren, maar om er over na te denken. Je komt misschien snel op thematisch werken. Prima, en laat kinderen zelf thema’s bedenken. Jij kent de doelen.

2-18 jaar

Volg kinderen, stuur bij, help ze, daag ze uit. Stap af van groepen, zet niet alleen in op niveaus maar speel, zoals je in de huidige kleutergroepen ook doet. Laat kinderen rouleren, ontdekken, ervaren. Met elkaar en van elkaar. Dan vallen de hoofdstukken weg. Dan is een CITO toets geen eindtoets, maar kan formatief ingezet worden. Hoe mooi is dat!

Zet kinderen meer aan het roer wat zal willen leren en begeleid ze. Als ze dan inzien waar de interesse ligt, stimuleer ze, en daag ze ook uit om verder te kijken. Een mening te vormen, inzicht te krijgen. Laat ze filosoferen, laat ze nadenken. Wij werken al lang niet meer 40 jaar bij 1 ‘baas’ – verwacht dat zeker niet van de komende generaties. Leer ze leren en nieuwsgierig blijven. Daag ze uit! Daag jezelf uit!

Kinderopvang – what’s in a name

Laatst had ik er al een post over geplaatst op LinkedIn: zullen we afstand nemen van de term ‘kinderopvang’, ‘peuteropvang’, ‘buitenschoolse opvang’?

De term dekt de lading niet meer. Al jaren niet. En wat te denken van de van de oorspronkelijke naam ‘kinderbewaarplaats‘ ?

Van kinderbewaarplaats naar crèche naar kinderopvang. In dit interessante artikel Historisch perspectief Kinderopvang LPK (17/06/2017) wordt de geschiedenis van de kinderopvang uiteen gezet.

Daarin staat te lezen dat een voorontwerp van de Wet op de Kindercentra het in 1973 niet haalde omdat studies hadden aangetoond dat kinderen tot hun 3e levensjaar het best bij de moeder kon blijven. De hechtingstheorie van Bowlby onderbouwde dat.

In 2005 krijgt de kinderopvang, vanuit De Wet Kinderopvang, een pedagogische opdracht die uitgewerkt moesten worden in 4 pedagogische doelen. Er werd vanaf toen meer gestructureerd pedagogisch gehandeld richting de kinderen. En kijk nu eens naar de Wet Kinderopvang.

Zelf had ik, toen ik als broekie voor de klas kwam (1998), zelf ook een beeld van de kinderopvang. Het beeld dat kinderen er naar toe gebracht werden, er opgepast werd, eventueel die rust, reinheid en regelmaat aangehouden werd en ‘s middags weer gehaald werden. Dat beeld had ik zelfs toen ik in 2007 mijn zoon als baby naar de opvang bracht. Ergens voelde ik me zelfs schuldig dat ik dat deed. Maar ja, je hebt beiden een drukke baan en zit volop in je carrière.

Het beeld werd ook nog eens bevestigd op die opvang. Want ik bracht mijn zoon, werd opgevangen door een leidster en aan het einde van de dag kwam ik weer: was er een heel ander gezicht en werd de dag doorgenomen vanaf het whitebord, waar ik mee kon lezen hoe vaak hij gedronken had, gepoept had, verschoond was en geslapen had. Punt. Dat was ook de reden om een andere opvang te gaan zoeken, iets kleinschaligers waar meer aandacht en affectie was bij mijn zoon. Een gastouder was de oplossing. Dat was meer een warm ‘nest’ met een prettige overdracht. Alleen bleef het beeld van ‘opvang’ in mijn ogen gewoon echt ‘opvang’. Wel met het idee dat mijn zoon in goede handen was. Dus een veilige omgeving en affectie.

Toen zij stopte, en wij zelf een kinderopvangorganisatie startten, waarbij het uitgangspunt was kleinschalig en kwaliteit, was ik inhoudelijk nog steeds niet bekend met wat de pedagogisch medewerkers allemaal al ‘in huis’ hadden. Welke opleiding ze gevolgd hadden, welke cursussen er gevolgd werden, hoe ze eigenlijk bezig waren met de ontwikkeling van het kind.

Mijn pad scheidde zich en ik ging vol door in het onderwijs. In de laatste jaren, toen ik heel dicht op de professionaliseringskant zat van de pedagogisch medewerkers, ontdekte ik het. Mijn collega’s die, als jonge kind specialisten, bezig waren met de pedagogisch medewerkers lieten mij regelmatig zien wat zij aan portfolio’s meekregen. Ik bladerde af en toe een portfolio door en was onder de indruk van de passie waarmee deze gemaakt was, maar ook van de inhoud: hoeveel men wist van de ontwikkeling van het jonge kind, wat de toegevoegde waarde was van spel, interactie, hun eigen rol als begeleider. En wat mij het meest trof: de liefde waarmee deze portfolio’s gemaakt waren. Hoe serieus deze mensen aan de slag waren geweest. Uiteraard, er zullen ook minder uitgewerkte portfolio’s zijn. Het is niet altijd rozengeur en maneschijn. 🙂

Vorig jaar ben ik uit het onderwijs gestapt en heb ik de overstap gemaakt naar de kinderopvang. En in die maanden werd mijn gevoel bevestigd. Toen pas.

De belangrijke rol van de pedagogisch medewerker. Het beeld van ‘opvang’ is achterhaald. De pedagogisch medewerker is continu bezig met de ontwikkeling van het kind. Van 0 – 12 jaar. En wat ik ook uit ervaring kan zeggen, met zoveel passie voor het vak! Ieder kind is uniek en willen ze maximale aandacht geven. De veranderingen die de laatste jaren plaatsvonden (en nog steeds plaatsvinden) zorgen er wel voor dat het begint te schuren: denk aan de groepsgrootte (vaak door tekort aan PM-ers), de toenemende wet- en regelgeving, controles en meer en meer rapportages maken. Want ze willen er zijn voor ieder kind en dat de maximale aandacht geven, en mede verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van het kind. En dan maak jij je als pedagogisch medewerker niet druk om wat je doet en dat te delen: want wat je doet hoort gewoon, dat is je drive.

Dan doe je met de term ‘opvang’ dus te kort.

Ok, ik ben een zwart/wit denker cq kijker. Maar het feit dat ik pas na zoveel jaren dat inzicht gekregen heb: hoe zouden sommige ouders, scholen, de maatschappij tegen de kinderopvang aankijken?

De discussie laaide tijdens de coronacrisis al regelmatig op. Het onderwijs vs de kinderopvang.

Ik denk dat we serieus moeten kijken naar een andere naam. Een naam die de lading dekt. Een hedendaagse naam, want die andere is ook al 40 jaar oud. Wie heeft een suggestie?

Zelf maak ik me nog even hard voor de pedagogisch medewerkers. Ik heb begin dit jaar een plan uitgewerkt waar de organisatie nu mee aan de slag gaat en nu veel meer handelt vanuit de (professionaliserings)vraag van de pedagogisch medewerker. Want ik heb te vaak gezien dat door de top-down georganiseerde trainingen, opleidingen, cursussen, bijeenkomsten het vuur kunnen doven. En dat mag nooit. En als dat plan staat? We shall see..

Mooi plan, maar we wachten nog even

innovatief

 

Deze cartoon deed me denken aan de presentatie van John Moravec – ‘Toward society 3.0, A New Paradigm for 21st century education’ waarin hij ook zegt: ‘we all wear white belts’. Het is een feit, niemand weet waar het heen gaat en iedereen staat aan het begin van iets nieuws. Waar werken wij over 5-10 jaar mee in het onderwijs? de opvolger van Google Glass? Augmented Reality zoals hier? Zeg het maar.. het zijn uiteindelijk instrumenten waarmee wij het onderwijs vorm kunnen geven om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de individuele leerling. En wat wordt de rol van de uitgevers? En learning analytics, wat doen we daarmee in de klas? Is er nog een klas zoals wij deze nu kennen? Hoe vult de leerkracht zijn taak in?

De vraag is: hoe ga je hier mee om? Betekent dan dat je achter elke hype aan moet lopen, pilots moet starten en mensen moet scholen? Voor de grootste groep denk ik het niet. De kleine groep innovators pakken de trends wel op, zien constant kansen (vanuit hun visie) maar leren ook nog steeds. Ze kunnen daarmee omgaan.  Voor de grootste groep zal dit juist averechts werken waardoor een trend wegzakt waardoor het vervolgens blijft hangen bij die razend enthousiaste directeur of leerkracht. Met het gevaar dat weer een nieuwe trend weerstand geeft.

Ik ben er van overtuigd dat je juist je samen je organisatie in moet richten als 21e eeuwse organisatie: een kennisorganisatie waar iedereen pedagogisch didactisch technologische vaardigheden bezit om nieuwe kansen in te schatten. Die open staat voor de nieuwe maatschappij, expertise in huis haalt en opzoekt en de deuren opengooit. En ook weer vanuit deze visie, de stip op de horizon die nooit zonder vallen en opstaan gehaald kan worden. Begin bij de leerkracht, die moet het onderscheid maken, dat is de professional die substantiële bijdrage levert aan de ontwikkeling van de kinderen. Zij of hij moet weten dat ze de kennis krijgt die nodig zijn om haar vak goed uit te oefenen, dan komt de roep om de juiste tools vanzelf!

Maar ja, ook ik draag een witte band 🙂

Over Google Glass gesproken: kijk eens naar initiatieven die er nu al zijn voor het onderwijs. Een eerste greep: Een Google Plus groep ‘Google Glass in education’, het youtube kanaal van docent Andrew Vanden die meedoet in het Google Glass explorer program en deze infographic.