augustus 18, 2020 Door admin 0

“In het onderwijs moeten kinderen groeien, niet gezeefd worden”.

Wat een geweldig citaat. Ik las het vandaag op Twitter. De naam achter het citaat? Theo Thijssen.

Het citaat is van voor de Tweede Wereldoorlog. Thijssen maakte zich toen al zorgen hoe het onderwijs geworden was tot ‘eenheidsworst’. Ook al kunnen sommige kinderen het niet aan: ze moeten het toch leren. Niets leerling volgend.

Op de PABO presenteerde ik in het 4e jaar, bij het vak pedagogiek, de zorgroute voor zorgleerlingen. Via het PCL (Permanente Commissie Leerlingenzorg. ) Ik heb een half jaar stage gelopen op een VSO en het systeem werkte toentertijd. Het reguliere onderwijs was ontlast, en de kinderen die ‘uitvielen’ qua intelligentie of gedrag werden op een passende school geplaatst via het PCL. Alleen werd het systeem onbetaalbaar. De Wet op Passend Onderwijs werd uitgewerkt – om zoveel mogelijk leerlingen maar in het reguliere basisonderwijs te houden. En toen ik bovenstaand citaat las kwam het weer bij me boven. Theo Thijssen had een geweldig inzicht.

Hij heeft ook een boek geschreven, wat nog steeds aangeraden wordt om te lezen. Het heet: “De gelukkige klas” (uit 1926). Ik snap ergens wel dat dit verplichte kost moet zijn voor iedereen in het onderwijs. #eyeopener

Het verhaal gaat over een onderwijzer, meester Staal. Hij schrijft al zijn ervaringen, zowel goede als slechte, op in zijn dagboek. Zijn vrouw bekijkt zijn leerlingen alleen maar van de buitenkant en heeft soms een erg botte mening over hen. Staal kan zichzelf dan meestal nog net in bedwang houden, maar is het er volledig mee oneens.

Hij heeft veel verschillende kinderen aan wie hij meerdere jaren les geeft, in zijn klas. Eén leerling, Louis van Rijn, is erg ziek en komt vaak niet op school. Als zijn gezondheid zo slecht wordt dat hij niet meer naar school kan, komt Staal hem bezoeken. Louis had een sterke geest en wilde graag veel lezen. Staal zorgde dan ook samen met een andere leraar voor lectuur. Het verhaal eindigt met een bezoek aan Louis van Rijn. Staal was tot de conclusie gekomen dat zijn klas gewoon een gelukkige klas moest zijn en dat de dingen die ze moesten leren niets waard waren.

Ik vond een leuke samenvatting op internet:


Erg veel prestige heeft zijn baan niet, daarvan is meester Staal zich wel bewust. Zes dagen per week geeft hij les op een armenschool in de Amsterdamse Oosterparkbuurt. De kinderen in zijn klas dragen grauwe, verwassen kleren, ze ruiken naar de straat en hebben nauwelijks geld voor een verjaardagstraktatie. Het is ‘een wanhopige school’, vindt de vrouw van meester Staal, boordevol ‘stakkers’ – hij kan maar beter zo gauw mogelijk promoveren tot schoolhoofd of tot leraar op de hbs. Maar daar heeft meester Staal – hoofdpersoon en ikfiguur van De gelukkige klas – helemaal geen zin in. Want al is zijn salaris bescheiden en al ziet zijn vrouw hem liever op een ‘nette school’, hij is diep verknocht aan zijn werk en aan zijn klas. Die bestaat in zijn ogen helemaal niet uit stakkers maar uit veertig interessante, tienjarige individuen, die onder zijn begeleiding moeten uitgroeien tot zelfredzame volwassenen. Van de belevenissen van al die kinderen in één klaslokaal doet meester Staal verslag in een dagboek. Dat houdt hij stiekem bij, want zijn vrouw mag niet weten dat hij zijn tijd verdoet met ‘nutteloze beschouwingen’ over zijn ‘schoolmeestersgedoetje’. Terwijl hij zogenaamd blokt voor zijn akte Frans – die hem toegang moet verschaffen tot een door zijn vrouw zo fel begeerde betere baan – beschrijft hij wat hem werkelijk bezighoudt: de relatie van een onderwijzer met zijn leerlingen. Anders dan die andere beroemde schoolmeester in de Nederlandse literatuur – de norse, hoekige De Bree uit Bordewijks Bint (1934) – bekijkt Staal zijn leerlingen met een liefdevol oog en een warm hart. Hij ziet hun persoonlijke zwaktes en talenten, kent hun achtergrond, die doorgaans niet zo florissant is. Zo bewoont het gezin van één van hen een armoedige achterkamer, waar een benauwde
stallucht hangt. 

De ziekelijke Louis van Rijn, de slimme Hilletje, het gansje Leentje Roos, de eigenzinnige Fok – meester Staal geeft ze in zijn dagboek elk een eigen gezicht. Maar hij beschrijft zijn leerlingen ook als één klas, als ‘een stukje gemeenschap dat als individu optreedt’. Met een klas zit het zo, schrijft Staal: ‘Je kunt een klas plagen, vleien, doen lachen, doen beven, een klas heeft een eigen ziel.’ Die ziel ontleedt Staal – die je het alter ego van de schrijver zou kunnen noemen – in deze roman in dagboekvorm heel scherp. 


De klassenziel is veranderlijk: nu eens rebels, dan weer gedisciplineerd, of bang, of uitgelaten vrolijk. Komt er een nieuwe jongen met een bochel in de klas, dan blijven de gevreesde pesterijen uit en betoont de klas zich een meedogend, solidair wezen. Maar trakteert de arme Kris Beekbergen voor zijn verjaardag op bedorven noten, dan neemt langzaam maar zeker toch ‘de beroerde wolvenmoraal uit de grote mensenwereld’ bezit van de klas. 
Schoolmeester Staal heeft zelf een grote invloed op het welbevinden van de klas. Ook zijn ziel is niet constant: als hij overwerkt is van al dat leren voor zijn akte Frans, dan reageert hij zich af op zijn kinderen. Soms is het slecht gesteld met ‘de orde’ en verzucht hij: ‘het ging niet meer “vanzelf”, we waren weer duidelijk twee partijen: de klas en ik.’ Meester Staal is ook maar een mens en hij maakt wel eens een fout. Maar hij houdt wél van zijn kinderen en doet enorm zijn best om van zijn klas een veilig eilandje te maken. Dat eilandje wordt nog wel eens bedreigd: door armoede bij de kinderen thuis – zelfs het extreem lage schoolgeld van één cent is voor sommige ouders een probleem. Door armoede op school – voor broodnodige nieuwe leesboekjes is geen geld. Door Staals echtgenote met haar ‘nuffige oordeeltjes’, die geringschattend blijft doen over zijn klas vol stakkers. En door de inspecteur die meester Staal met idiote, tijdrovende ‘onderwijsvernieuwingen’ lastigvalt. Maar Staal weet al die aanvallen van buitenaf aardig te pareren. Hij volhardt in wat hij als zijn levenstaak ziet: mijn kinderen, ‘m’n heerlijke, lieve, lastige stel,’ geborgenheid te geven en ze ook nog iets te leren. Van die lessen hebben ze levenslang profijt, denkt Staal: ‘Ik ben waarschijnlijk te veel optimist – maar als ik een jongen zo zie stralen, denk ik altijd: het moeten toch wel sterke machten zijn, die van jou nog een beroerd mens kunnen maken.’


Bron: www.nederlandleest.nl